Joke Goudswaard

Terwijl Indië bij mijn ouders, grootouders en de rest van de familie vooral een geur van heimwee opriep, was het thema ‘oorlog’ echt een onbespreekbaar gebied. Nooit viel hier 1 woord over. Zowel het gezin van mijn moeder als mijn vader vertrok op het grote schip richting Holland. Hun baboe zwaaide hen huilend op de kade uit. Een tijdperk – dat begon met de VOC eind 1600 – werd afgesloten. Eeuwen waren de tropen hun achterland geweest.
Lees verder
Terug naar pagina Nederlands-Indië

HAAR VERHAAL

Hun eerste ervaring hier was die van kou, opgesloten zijn en ‘zo anders allemaal’! Al die jaren in de vertrouwde vochtige hitte, de vrijheid van tochten in de bergen, het huis met de waranda en het eindeloos buiten zijn. De apen, de miereneters, de roep van de tokeh, het tere groen van de rijstvelden. Nee, het was ontzettend wennen. Het plan was dat de jongens hier gingen studeren, mijn moeder tot haar teleurstelling niet.

De vader van Joke als kind in Nederlands-Indië

Het werd Schoevers, een opleiding voor stenotypiste. Mijn vader volgde in Leiden een studie voor apotheker, trouw aan de vorige generaties. 18 waren ze toen ze hier kwamen in 1936. Het leven lag voor hen open. Maar niet lang erna brak de oorlog uit.

Het was duidelijk dat ze hun aandeel wilden leveren. Mijn vader zat tijdens de bezetting in een verzetsgroep. Bij de Slag om Arnhem kreeg hij een kogel in zijn voet, hier hield hij voor altijd een stijve enkel aan over. Vele vrienden kwamen om. Mijn moeder was koerierster. Op haar fiets met houten banden bracht ze post van de ondergrondse rond. Ze is inmiddels 98; en na al die jaren van een verzwegen verleden breekt nu soms ineens de paniek uit. Die dag dat ze werd opgepakt door de Duitsers op station Heemstede. De angst van de dagen in de cel; en de immense opluchting toen ze weer vrij kwam. Een oom had weten te bemiddelen. De broers zaten ook in het verzet. Oom Hans werd opgepakt als krijgsgevangene. Als kind ervaarde ik vooral de sensatie van dat houten luik in de keukenvloer in het huis van opa en oma. Daaronder hadden ze zich verstopt. Het leek me spannend en griezelig tegelijk.

De familieleden die in Indië achterbleven… Tussendoor ving ik later soms iets van hun ervaringen op. Oom Rudy die na de oorlog alleen bleef en een beetje bijzonder was. De tijd aan de Birma-spoorweg had zijn tol geëist. En dan de tantetjes die met hun kinderen de kampen hadden overleefd. In de gruwelijke hitte op appel, de bevelen van de Japanners in hun oren. Het waren maar enkele woorden, die nu en dan naar boven kwamen, waar ik iets van de dreiging in kon voelen. Iets groots onmenselijks. Maar ook de dankbaarheid dat ze er nog waren. De band met hun land van herkomst bleef: Maleis, rijsttafels en zelfgebakken kroepoek, we wisten als kind niet beter. Andere kinderen speelden ganzenbord thuis, wij natuurlijk Mahjong. De geur van kajepoeti-olie bij een verkoudheid.

Op vakantie reden we altijd met een bocht om Duitsland heen. Pas toen ik een jaar of 13/14 was, begreep ik waarom. Net als de stilte en de ernst die er in huis hing tijdens de Dodenherdenking. Het was uiterst duidelijk als kind, je waagde het niet om die sfeer te doorbreken. Ook het woord ‘Japan’ riep bij iedereen in de familie afschuw op: geen enkel product uit dat land werd gekocht. Dat waren de enige tekens. Negatieve of polariserende uitlatingen hoorde je niet. Na de oorlog werkte mijn moeder als typiste bij het Haags gerechtshof en woonde de berechting van oorlogsmisdadigers bij. Zo kwam haar diploma nog van pas. Mijn vader kreeg nog jaren na dato uitnodigingen van zijn verzetsgroep; bij zijn dood vonden we zijn medailles. Nooit 1 woord sprak hij hierover.

De rij oorlogsboeken van dr. Lou de Jong en ‘De ondergang’ van Presser heb ik geërfd. Net als de liefde voor vreemde landen en talen, en het weten dat het grensland tussen de doden en levenden zo overgestoken kan worden. Mijn middelbare school werd het liberaal Joodse Spinozalyceum. Zou mijn praktijk voor rouw in de verre verte er iets mee te maken hebben – zou het ook een echo vanuit het oorlogsverleden van mijn ouders zijn? ‘Adoe’, zouden ze zeggen, ‘kind, laat het rusten, ja’.

Vanochtend zat ik in de eerste lentezon bij mijn moeder van ruim 98 jaar. Ze genoot van de warmte, van de witte orchideeën op haar kastje. Beide herinneren haar aan vroeger, aan Indië. Al wordt haar geheugen zo langzamerhand beperkter. Het adres van toen weet ze nog precies: Dagoweg 89… Ter geruststelling kan ik haar zeggen dat het huis er na al die jaren nog staat.

Als ik het project Ereveld vol Leven noem, rimpelt haar gezicht. Wil ze dit wel weten? Alles komt dan zo dichtbij. Dan vertel ik over de grote boot met zeven kruizen die kort geleden de oceaan naar Nederland overgestoken is; dezelfde overtocht die zij ooit maakte. ‘Met de aarde van daar, van jouw geboortegrond.’ Het raakt haar dat de mensen van nu – van jong tot oud – zoveel moeite doen om het verleden en de verliezen van toen te herdenken en te eren. ‘Van hier tot aan de overkant!’

Joke schreef een prachtig gedicht tijdens een bezoek van haar aan Indonesië.

Lees Joke’s gedicht

HUIZEN VAN HERKOMST

Het is een wereld
die ik niet ken.
Een wereld die in het
voorbije thuisland
van mijn ouders is.

Mijn thuisland wordt,
nu ik het dichterbij haal.
Een stap slechts.

De huizen van herkomst
worden ze benoemd.
De huizen van de familie,
waar je bij hoort.

Bij blijft horen,
ook al ben al lang,
lang weggegaan.

Je hoort bij het huis
van de vader,
van de moeder,
van de voorouders.
En bij je eigen huis.

Deze wereld
aan de overkant,
is een wereld
met geheime namen.

Een land van herkomst,
dat mijn thuisland wordt,
nu ik het dichterbij haal.
Een stap slechts.

Meld je aan als bezoeker