Pieter Ridder

Terwijl Indië bij mijn ouders, grootouders en de rest van de familie vooral een geur van heimwee opriep, was het thema ‘oorlog’ echt een onbespreekbaar gebied. Nooit viel hier 1 woord over. Zowel het gezin van mijn moeder als mijn vader vertrok op het grote schip richting Holland. Hun baboe zwaaide hen huilend op de kade uit. Een tijdperk – dat begon met de VOC eind 1600 – werd afgesloten. Eeuwen waren de tropen hun achterland geweest.
Lees verder
Terug naar pagina Nederlands-Indië

ZIJN VERHAAL

De herinneringen van Pieter jr., zowel van het leven voor als tijdens de oorlog, zijn nog helder. Het gezinsleven voor de oorlog was fijn, weet Pieter te vertellen. Zij genoten van een mooi koloniaal bestaan, met personeel die voor het grote huis en de kinderen zorgden, ouders die blij waren en die mooie tijden met elkaar deelden met hun kinderen, met kamperen, gezellige diners aan lange tafels met gasten, geüniformeerden en dames en werken in het land waar zij zich thuis voelden.

Het moment dat de Japanners het land binnendrongen weet Pieter nog goed te beschrijven. Er werden zandzakken opgebouwd op veranda als ‘schuilkelder’ en ter bescherming en ook al was hij op dat moment slechts 4 jaar, Pieter vertelt over het spieken tussen de kieren van deze zandzakken en beschrijft het beeld van de Japanners die hij voor het eerst zag – kleine mannen met geweer in de hand en op fietsen die in lange rijen langskwamen.

Op een gegeven moment werd vader Pieter opgepakt. Van dat specifiek moment is geen herinnering, wel dat hij opeens afwezig was. Met een grote groep werd er weleens naar een groot veld gegaan. Een veld afgezet door een hek waarachter veel mannen stonden. De families, nu nog moeders met kinderen, konden er niet bij, maar er werd wel van afstand gezwaaid.

Moeder Annigje en kinderen Jan en Pieter worden op een gegeven moment verplaatst naar een beschermde wijk (een ‘voorstadium’ van de latere kampen) waar 5 – 6 families samen in 1 huis woonden. Moeder Ridder was beperkt in haar bewegingsvrijheid, maar Pieter herinnert zich wel nog bezoek aan een meneer in de bergen. Die verbleef nog buiten de beschermde wijk en Pieter heeft na de oorlog ook een aantal keren contact met hem gehad. Binnen de beschermde wijk, in de kampong bij de kali was een mevrouw die een aantal kinderen ‘les gaf’. Daar, herinnert Pieter zich, heeft hij AAP, NOOT, MIES geleerd.

Men mocht niet bewegen

De periode in de beschermde wijk na de inval van de Japanners in ’42 werd gevolgd door verblijven in Japanse interneringskampen – Karangpanas (Semarang), Tjihapit (Bandung) en Ambarawa (Ambarawa). Daar werden de ontberingen in het leven wat toch al niet makkelijk was geweest na de internering van vader Ridder, nog zwaarder en gruwelijker voor moeder en zonen. De leefomstandigheden waren vreselijk; weinig eten, met veel mensen op een kluitje en nul privacy, alles in de hitte. Het onderdak dat zij kregen bestond uit 1 grote slaapzaal waarin rijen met britsen stonden, met daartussen als afscheiding, een rij met huttenkoffers. Ieder geïnterneerde, jong of oud, ziek of niet ziek, kreeg 50 cm ligplaats op een brits.

Elke dag was er ochtendinspectie binnen en moest iedereen voor de brits gaan staan. Doodstil terwijl de Japanse kampbewaarder tussen de britsen door liep. Men mocht niet bewegen. Pieter herinnert zich een incident waarbij een oudere vrouw aan de overkant van het gangpad bleef bewegen, niet stil kon staan. Dit werd opgemerkt door de Jappen, die vervolgens het ‘zaalhoofd’ sommeerden de vrouw mee te nemen en haar verschrikkelijk hebben afgeranseld. Het zaalhoofd had naast Pieter gelegen en hij weet nog dat hij haar 3 dagen heeft verzorgd. En dat hij een hekel had aan de vrouw aan de overkant, door wiens ‘schuld’ dit was gebeurd.

10 vliegen per persoon

De pesterijen van de Jappen beperkten zich niet tot dit. Zo weet Pieter nog te vertellen dat de eigendommen van de geïnterneerden werden afgepakt, maar zo geplaatst in een opbergruimte achter een hek, dat iedereen daar elke dag langs moest lopen op weg naar het eten halen, en dus alles steeds zag staan en er niet bij kon. Gewoon om te treiteren. En dat de kinderen 10 vliegen per persoon moesten vangen en in een luciferdoosje doen om recht te hebben op eten. Dat het water voor 7 uur in de ochtend moest worden gehaald, want daarna werd de kraan dichtgedraaid. En nog veel meer van deze dingen die het leven zoveel zwaarder maakten. Ook de hygiëne was slecht, de geïnterneerden stonden dagelijks uren in de brandende zon en iedereen werd weleens ziek. Moeder Ridder was inmiddels een ‘schim’ van haar vroegere zelf, de jongens werden min of meer aan hun lot overgelaten en meer door de buurvrouwen dan door hun moeder opgevoed.

In 1945 keert het tij. De Britten komen langs, de Japanners worden opeens vriendelijk en wonder boven wonder, na bevrijding van het kamp, krijgen de ouders Pieter en Annigje weer contact met elkaar. Uiteindelijk na een moeizame reis via Batavia, wordt het gezin weer herenigd in Bandung , waar de jongens voor het eerst in 3 jaar hun vader weer zien. Pieter is dan inmiddels 7 jaar, het is november 1945. Het gezin Ridder verblijft met andere families in het hotel Homan in Bandung, samen met andere gezinnen.

Geen tijd voor afscheid

Hun vreugde en opluchting dat ze de ontberingen te hebben overleefd is helaas van korte duur. Tijdens hun verblijf reed vader Ridder voor de zogenaamde RAPWI als vrijwilliger, nog wel heen en weer naar het ziekenhuis om zieken en gewonden te transporteren. Tijdens 1 van deze ritten werd bij een spoorwegovergang in Bandung zijn auto omsingeld door vrachtwagens met Indonesische nationalisten en werd hij ter plekke doodgeschoten. Een deel van de mannen die hierbij betrokken waren, kenden de heer Ridder die zich al jaren als controleur bij het bestuurscorps had ingezet. Als eerbetoon aan hem, werd zijn lichaam naar de rand van de weg gedragen en daar neergelegd. Deze fatale dag was 23 november 1945, slechts 14 dagen na zijn hereniging met zijn vrouw en zonen, die hij al ruim 3 jaar had moeten missen.

De begrafenisdienst was buitengewoon kort. En pijnlijk, weet Pieter zich te herinneren. De lange gang in het Juliana-ziekenhuis waar hij en broer Jan met zijn moeder liepen, de korte preek door dominee Jongbloed en de kist die zo snel verdween, de deuren die daarachter dichtsloegen. Eigenlijk geen tijd om na te denken, geen tijd voor werkelijke afscheid. Moeder en zonen keren terug naar Bandung, ditmaal naar een kamp waar zij onder de bescherming van de Jappen nu behoed worden tegen het geweld van de nationalisten.

Begin 1946 keert moeder Ridder met haar zonen met de tweede boot terug naar Nederland. Na aankomst worden zij opgevangen door een tante in Sassenheim. 1x zijn zij bij opa Ridder op bezoek geweest, maar Pieter herinnert zich vooral ook de weinig belangstelling en begrip voor wat zijn gezin in Nederlands-Indië heeft meegemaakt. Tenslotte, vertelden zijn neefjes, wij hebben hier oorlog gehad, hoor! De jongens konden wel weer naar school en deelnemen aan het dagelijks leven. Toch een heel andere dagelijks leven dan dat zij voor de oorlog hadden gekend.

Diepe sporen

3 weken na hun aankomst in Nederland vertrekt moeder Ridder met haar zonen Jan en Pieter naar familie in de VS. Om zo goed en kwaad als het kan, een beetje ‘bij te komen’. Na een verblijf van 1 jaar keert het gezin terug naar Nederland waar ze in eerste instantie een woonplek in Bloemendaal krijgen toegewezen in een ‘gemeenschap’ voor repatrianten. Echter, doordat zij een jaar in de VS hadden gezeten, wordt bepaald dat zij niet gelden als ‘repatrianten’ en worden ze verzocht te vertrekken, zonder rechten of aanspraak kunnen maken op opvang, steun en zorg.

Volgens Pieter was dit het allerergst voor zijn moeder, het ontkennen van hun oorlogsverleden, lijden en verlies. Het is ook datgeen waar zij haar leven lang boos en verbitterd over bleef. Uiteindelijk is moeder Ridder nooit terug geweest naar Indië, de zonen pas nadat hun moeder was overleden. Pas toen voelden ze zich ‘vrij’ om de reis terug te maken. Pieter is zelf drie keer terug geweest – met alle drie zijn kinderen. Het graf van hun vader konden zij bezoeken op het ereveld Pandu in Bandung.

Dat de oorlog diepe sporen heeft nagelaten is overduidelijk. Hun moeder was verbitterd, vertelt Pieter, en praatte niet met de jongens over het verleden. Zij stortte zich vooral op de leerproblemen van Jan, maar de plek die hun leven en ervaringen in Nederlands-Indië bij haar had, toont zich in de veelheid aan allerlei knipsels, artikelen en foto’s die zij verzamelde en hoe gesloten zij was ten opzichte van haar zonen over deze geschiedenis. Over het verleden sprak zij alleen met haar vriendinnen uit Indië. Zij kon/wilde geen hulp vragen, voelde zich door Nederland in de steek gelaten en was heel boos over de miskenning van hun oorlogsleed en haar worsteling met het leven als weduwe en alleen staan voor de zorg van haar twee zonen.

Voor Pieter gold, hij is zelf heel hard en op eigen kracht vooral gaan studeren. Nu gepensioneerd als huisarts, heeft hij veel kennis van, veel belangstelling voor en ook nog veel info over de tijd in Nederlands-Indië.